Verdeling van goederen

Deze moet in delen gehakt worden (teveel tekst, duidleijk welke voorbeelden bij welke wettekst horen), maar weet niet hoe: advocaat vragen

Sinds januari 2002 geldt het regime van verwervingsdeelneming als wettelijk regime. Met andere woorden: indien de echtgenoten niet middels een overeenkomst inzake het huwelijksgoederenregime één van de hieronder genoemde regimes gekozen hebben, vallen zij vanzelfsprekend onder het wettelijke huwelijksgoederenregime. Krachtens het nieuwe Burgerlijke Wetboek dat geldt tot 1 januari 2002, de datum van in werkingtreden van de nieuwe wet, geldt voor de echtgenoten het oude regime en daarna het regime van verwervingsdeelneming. Dus, de verworven goederen binnen het huwelijk vallen tot 1 januari 2002 niet in dit huwelijksgoederenregime.

Het regime van verwervingsdeelneming omvat de verwervingen en het persoonlijke vermogen van ieder der echtgenoten.

Persoonlijk vermogen

Tot het persoonlijk vermogen behoort op grond van de wet:

  1. Het goed dat alleen voor persoonlijk gebruik van een van de echtgenoten bestemd is (bijv. persoonlijke juwelen en sieraden, make-up spullen en kleding van de vrouw en het scheerapparaat en de kleding van de man)
  2. Het vermogen dat partijen zonder betaling verworven hebben (bijv. schenkingen, erfenis, prijzen in de staatsloterij, etc.) Bijvoorbeeld: het lot waar de hoofdprijs van de staatsloterij op is gevallen welke u tijdens uw vijfjarig huwelijk aangeschaft had. 
  3. Vermogensbestanddelen die bij aanvang van het huwelijksgoederenregime aan één van de echtgenoten toebehoren, bijvoorbeeld: uw voor het huwelijk aangeschafte auto 
  4. Later door een van de echtgenoten verkregen immateriële schadevergoeding, bijvoorbeeld: de aan u uitbetaalde immateriële schadevergoeding wegens overlijden van een van uw familieleden tijdens een vliegtuigramp.
  5. De door de echtgenoten als persoonlijk vermogen geaccepteerde vermogens-bestandelen.

Verwervingen

Verwervingen van een echtgenoot zijn in het bijzonder de volgende:

  1. Goederen die middels inspanningen verkregen zijn tijdens het huwelijk van partijen. Oftewel, inkomsten, vergoedingen en beloningen in verband met verrichtte arbeid door de echtgenoten zelf.
  2.  Betalingen door de officiële instanties voor Sociale Zekerheid en Sociale Instellingen voor hulp of pensioenfondsen en dergelijke instellingen die opgericht zijn ten behoeve van hulpverlening aan personeel. 
  3. Uitkeringen wegens verlies van arbeidsvermogen.
  4. De inkomsten uit persoonlijk vermogen, zoals huurinkomsten en spaarrente inkomsten.
  5. De vermogenswaarden die verwervingen vervangen.

De echtgenoten kunnen middels een overeenkomst inzake het huwelijksgoederenregime aanvaarden dat er een aantal vermogensbestanddelen die tot de verwervingen zouden moeten worden gerekend, als persoonlijk vermogen worden beschouwd.

Als één der echtgenoten (of een derde partij) beweert dat een bepaald vermogensbestanddeel aan een van de echtgenoten toebehoort, dan is deze verplicht om zijn stelling te onderbouwen middels verschillend bewijzen. Vermogensbestanddelen waarvan niet bewezen is aan welke echtgenoot zij toebehoren, worden geacht hun mede-eigendom te zijn.

Gani en Nur hebben na 20 jaar huwelijk besloten om te gaan scheiden. Volgens de nieuwe wet moeten eerst de persoonlijke vermogens van de echtgenoten vastgesteld worden. In de echtelijke woning bevindt zich een grote Yağcı Bedir tapijt. Nur kan op geen enkele manier bewijzen, dat dit tapijt een erfstuk van haar tante was. In dit geval wordt dit tapijt als mede-eigendom (ieder ½ aandeel) beschouwd.

Iedere echtgeno(o)t(e) is met zijn/haar gehele vermogen voor zijn/haar eigen schulden aansprakelijk.

Een voorbeeld van het verwervingsregime, welk wettelijke huwelijksgoederenregime is:

Saime en Fırat zijn in 2003 gehuwd en zij hebben geen overeenkomst omtrent het huwelijksgoederenregime opgesteld. Derhalve vallen zij onder het wettelijke verwervingsregime. Het Isparta tapijt, welk Saime vóór haar huwelijk aangeschaft had, valt onder haar persoonlijk vermogen.

Ook de woning, die door de moeder van Saime ten behoeve van haar gekocht is, behoort tot het persoonlijke vermogen van Saime.

Saime heeft een woning geërfd van haar tante. Zij heeft deze woning verkocht en met het geld een auto aangeschaft. Ook deze auto behoort tot het persoonlijke vermogen van Saime.

Saime en Fırat hebben gezamenlijk gewerkt en zij hebben in Marmaris een stuk bouwgrond gekocht. Deze bouwgrond staat op naam van Fırat geregistreerd. Zij wilden later hier een huis laten bouwen. Een schuldeiser van Fırat heeft het recht om op deze bouwgrond beslag te laten leggen. Saime heeft ook het recht - na beëindigen van het huwelijksgoederenregime - om een proces tot waardebepaling aan te spannen, aangezien zij mede-eigenaar is. De rechtbank voor het familierecht zal het tegoed van Saime naar recht en billijkheid vaststellen, indien blijkt dat deze bouwgrond in Marmaris in verband met de beslaglegging compleet vereffend is.
Stel dat deze door de echtgenoten gezamenlijk aangekochte bouwgrond in plaats van de schuldenaar Fırat op naam van Saime geregistreed stond. In dit geval had de schuldeiser geen recht op een beslaglegging en om Saime te laten vervolgen. Deze kan hooguit een maatregel laten treffen in verband met de in de toekomst te verwachte rechten.

In het algemeen geldt tussen de echtgenoten het regime van verwervingsdeelneming. De echtgenoten kunnen middels een overeenkomst inzake het huwelijksgoederenregime één van de overige in de wet genoemde regimes aanvaarden.

Bijvoorbeeld:

  1. algehele scheiding van goederen.
  2. scheiding van goederen door verdeling,
  3. goederengemeenschap
    a) beperkte goederengemeenschap
    b) gemeenschap op verwervingsgoederen

Een overeenkomst omtrent huwelijksgoederenregime wordt in het bijzijn van de echtgenoten of van de verloofden door een notaris opgesteld.

Het huwelijksgoederenregime eindigt bij het overlijden van een der echtgenoten, door aanvaarding van een ander huwelijksgoederenregime, door nietigverklaring van het huwelijk door de rechtbank of door omzetting van het bestaande huwelijks-goederenregime in een algehele scheiding van goederen.

Een van de problemen die na beëindiging van het huwelijksgoederregime ontstaat is de vermeerderde waarde en de vereffening van de schulden.

Indien één van de echtgenoten zonder enige of zonder een passende vergoeding heeft bijgedragen aan de verkrijging, de verbetering of het behoud van een aan de ander toebehorend goed, verkrijgt hij voor zijn proportioneel bijgedragen een vorderingsrecht op de ten tijde van de vereffening bij dit goed vastgestelde meerwaarde. Deze vordering wordt berekend naar de waarde van het goed op het tijdstip van de vereffening; indien sprake is van waardevermindering wordt de beginwaarde van de bijdrage als grondslag genomen.

Een voorbeeld als toelichting:

Gamze en Serdar zijn al 10 jaar getrouwd. In het zesde jaar van hun huwelijk hebben ze besloten om het van vader van Serdar geërfde houten gebouw, ter waarde van 8 miljard, te renoveren. Gamze trekt 2 miljard uit van haar persoonlijke rekening voor de renovatie. Gamze heeft voor 20% bijgedragen. De waarde van dit onroerend goed is in verband met de renovatie tot 16 miljard gestegen. Aan Gamze dient men 3,2 miljard, oftewel 20% van de waarde van dit onroerendgoed, uit te betalen indien dit verdeeld of verkocht wordt.

De invloed van het wettelijke huwelijksgoederenregime op de nalatenschap

De langstlevende echtgenoot is, afhankelijk van de grootte van de groep waar hij deel van uitmaakt, erfgenaam van de erflater voor het breukdeel zoals hieronder vermeld:

  • Indien hij erfgenaam is tezamen met kinderen van de erflater, voor ¼ deel van de nalatenschap.
  • Indien hij erfgenaam is tezamen met de vader en de moeder van de erflater of broers en zussen, voor ½ deel van de nalatenschap.
  • Indien hij erfgenaam is tezamen met de grootouders van de erflater en diens kinderen, voor ¾ deel van de nalatenschap.
  • en indien ook deze er niet zijn, komt de gehele nalatenschap aan de echtgenoot toe (art. 499).

Indien tussen de echtgenoten het wettelijke regime deelname aan de verwervingsgoederen van toepassing is, dan:

  • Iedere echtgenoot of zijn erfgenamen zijn rechthebbende op de helft van de aan de andere echtgenoot toebehorende restwaarde van diens verwervingen. Vorderingen worden verrekend (art. 236). Dus, de langstlevende echtgenoot krijgt de helft van de restwaarde en later (indien hij erfgenaam is tezamen met de kinderen) ¼ deel van de resterende helft. Dus, in totaal ¾ deel.
  • Om de gewende levensstijl te kunnen voortzetten, kan de langstlevende echtgenoot verzoeken het gebruiksrecht of woonrecht op de woning die aan de overleden echtgenoot toebehoorde en die zij gezamenlijk bewoonden, te verkrijgen onder verrekening tegen de aanspraak uit deelneming en indien dat onvoldoende is tegen bijbetaling van een vergoeding (art.240).